
'Dubbele Watersnoodramp ligt op de loer'; next. checkt
NRC.NEXT
18 mei 2015 maandag
Section: weten
 Tom Vennink
 Dat zei een oud-medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie tegen Omroep Zeeland 
Als de provincie Zeeland volgende maand een zaak verliest bij de Raad van State, moet er dertig miljoen kilo munitie uit de Oosterschelde gevist worden. Mortieren, patronen, fosforgranaten, mijnen (type AT 26). Het Nederlandse leger wilde ervanaf, dus ging het tussen 1945 en 1967 de Oosterschelde in. Sindsdien liggen de miljoenen kilo's munitie op de bodem, vlak voor het haventje van Zierikzee. 
Milieuorganisaties eisen dat de provincie de massa wapentuig opruimt. Want de munitie roest en daardoor zouden er giftige stoffen kunnen vrijkomen die het zeeleven aantasten: koper, nikkel, TNT, DNT, maar ook het voor mensen gevaarlijke witte fosfor (brandwonden bij aanraking). De deeltjes zouden ook op mosselen en kreeften terecht kunnen komen. 
 Een item over de zaak bij Omroep Zeeland, dat persbureau ANP in landelijke media verspreidde, waarschuwde deze maand voor een heel ander gevaar. ,,De munitie is een tikkende tijdbom en komt een keer tot ontploffing als er niets aan wordt gedaan", zei Frank Barink, oud-medewerker van de Explosieven Opruimingsdienst Defensie. De gevolgen volgens Barink: een ramp die twee keer zo groot is als die van de Watersnoodramp van 1953. Check. 
Springstof heeft een houdbaarheidsdatum, ,,net als pindakaas", zegt Barink, tevens eigenaar van een adviesbureau in explosievenopsporing, door de telefoon. ,,Het wordt steeds gevoeliger voor schokken en stoten. De springstof gaat sneller reageren." En omdat de munitie dicht bij elkaar het water ingekieperd is, met ontsteker en al, zou één ontploffinkje voor een kettingreactie kunnen zorgen. Barink: ,,Je krijgt een tsunami. Met twee keer zoveel water richting Zierikzee als tijdens de Watersnoodramp." Hoe Barink erbij komt dat het om twee keer zoveel water gaat als in 1953, kan hij niet zeggen. 
Dat het om veel water gaat, baseert Barink op de aanname dat er geen 30 miljoen, maar 300 miljoen kilo munitie ligt. Op 50 meter diepte. ,,Als je een beetje gaat tellen, kom je erachter dat er veel meer munitie moet liggen." Hij benadrukt dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar de locatie van de munitie. 
Om het groeiende risico op een Zeeuwse tsunami te checken, gaan we één voor één de aannames van Barink langs die volgens hem kunnen leiden tot een dubbele Watersnoodramp. 
Aanname 1 is dat er geen 30 miljoen, maar 300 miljoen kilo munitie in het water ligt, op 50 meter diepte. Barink 
zegt met de mensen ,,gesproken en samengewerkt" te hebben die de munitie hebben gedumpt. Die zouden verteld hebben dat er veel meer munitie in het water ligt. Barink schat op basis daarvan dat het om 300 miljoen kilo gaat. Het onafhankelijke en gerenommeerde onderzoeksinstituut TNO, dat informatie over de munitiedumpingen verzamelde in opdracht van het ministerie van Defensie, kwam in 1999 uit op ,,minimaal 30 miljoen kilo". Uit een nieuw TNO-onderzoek naar de munitie blijkt dat veel munitie niet op 50 meter diepte ligt, maar op 30 tot 50 meter - wat het effect op de waterspiegel vermindert. 
 Aanname 2 is dat de munitie dicht bij elkaar ligt, zodat één ontploffing een massadetonatie kan veroorzaken. In 1999 onderzocht TNO de bodem van de Oosterschelde met duikers, een onderwatervaartuig en met boten via sonar. Conclusie: de munitie ligt zo ver van elkaar dat een massa-explosie onmogelijk is. Ook zou de munitie op de bodem in zo'n slechte staat verkeren dat ze hoogstwaarschijnlijk niet meer kan functioneren. 
De berekening van explosievendeskundige Frank Barink is niet goed gefundeerd. Wat we niet kunnen controleren is de hoeveelheid munitie die op de bodem ligt. Wel te checken via TNO-onderzoek uit 1999 bleek de diepte van de munitie (minder diep dan hij aanneemt) en de verspreiding van de munitie (verder van elkaar). Daarom beoordelen we de stelling als ongefundeerd. 
 